Mokumse jihad van liefde -2-

Gisteravond. Er zitten 3 jongens op mijn bank voor de deur Chinese afhaal te eten. Ik begin een gesprek met ze. Ik moet grinniken hoe beleefd ze zijn. Ik denk aan de belofte, die ik vorige week heb gedaan in mijn blog. Ik vertel dat ik het leuk vind, dat ze zo lekker samen op een bankje zitten. Ik vraag of ze de bakjes en zo straks even in de prullenbak doen. Desgevraagd deel ik, hoe irritant het is, als ik dan de volgende ochtend de restanten uit mijn eigendommen moet pulken. Ze snappen het helemaal.
Ik kom vanochtend beneden. De bakjes liggen in de prullenbak, dat moet ik toegeven. Maar hun nasi is over het hele raam uitgesmeerd, tussen het hekwerk en over de hele stoep. Ik slik. Van binnen kolk ik. Van teleurstelling, boosheid, ja, zelfs gevoelens van verraad en haat borrelen op voor die wildvreemde jongens met hun schijnheilige koppen. Voor ik het weet, bouwt mijn geest om mijn dierbare bankje een burcht van camera’s, emmers met ijswater die van een hogere verdieping gelanceerd kunnen worden en zwaarder geschut.
Soms, meneer Van der Laan, is het echt moeilijk om uw laatste wens in te willigen. Maar u bent er pas een week niet meer. Ik kan niet nu al opgeven.
Onder het genot van een kopje koffie in de ochtendzon reflecteer ik of het anders kan. Hoe ik die jihad van liefde toch kan voeren.

Het eerste, dat in me opkomt is, dat de eters van de nasi niet per se de smeerders van de nasi hoeven te zijn. Ik heb geen camerabeelden, dus ik wéet niet wat er gebeurd is tussen 11 en 7. Die gedachte maakt me al een tikje rustiger. Dat ík degene ben, die deze twee gebeurtenissen aan elkaar koppelt en wat dat in me losmaakt. Voor hetzelfde geld hadden die jongens en ik wel telefoonnummers uitgewisseld, had ik ze vanochtend gebeld om te vertellen waar hun nasi beland was en hadden ze mogelijk gezegd: ”O, mevrouw, wat erg! Wat een hufters lopen er toch rond in onze mooie stad.”

Het tweede wat in me opkomt -  shit, die tweede gedachten zijn altijd het meest confronterend – is dat ik met mijn aardige gesprek hoopte gewenst gedrag uit te lokken. Door vriendelijk te zijn hoopte ik, dat mijn leefruimte gerespecteerd zou worden. Maar dat is geen liefde. Dat is geen zorgen voor de stad of elkaar, dat is gewoon hopen dat je eigen stoepje schoon blijft.
Ik vergelijk deze ervaring met andere in mijn eigen leven. Hoe vaak ben ik aardig in de hoop dat ik dan gewoon mijn zin krijg? En hoe goed voel ik het, als anderen dat bij mij doen? En hoe vaak wordt dan die rebel in mij wakker, die mooi niet aan dat spelletje meewerkt?

Lotte deelde bij mijn blog van vorige week, dat ze een omgevallen fiets rechtop zette, toen ze zag dat iedereen zich daaraan ergerde en omheen wurmde.  Het ontroerde mij. Dát is zorgen voor de stad en voor elkaar.
Ik blijf bij mijn belofte. En realiseer me dat ik - net als die fiets - af en toe zal vallen. In de weg lig en mensen erger. En wat een heerlijk idee is het dan, als er anderen zijn, die net als ik, voor de stad en elkaar willen zorgen en me dan zonder dralen even overeind zetten. En hoe gaaf zou het zijn, als iedereen juist deze momenten deelt. Niet die heldendaden, maar gewoon die kleine dingen die je onbaatzuchtig kunt geven, die anderen inspireren en waar wij en onze stad wel bij varen.

Ik stel me voor dat de burgemeester – waar hij ook is – glunderend een sigaretje opsteekt.
Hij heeft precies de goede slogan nagelaten.


Zin om te reageren?

Laat een reactie achter:

Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op "cookies toestaan" om u de best mogelijke browse-ervaring te bieden. Als u deze website blijft gebruiken zonder uw cookie-instellingen te wijzigen of als u hieronder op "Accepteren" klikt, stemt u daarmee in.

Sluiten